Hoofdstuk 5: Wat leren we de kinderen

 Hoofdstuk 5 Wat leren we de kinderen?

A. De groepen 1-2

In de groepen 1-2 maken we gebruik van Schatkist en thematisch onderwijs. Een onderwijsvorm waarbij de vier B’s uitgangspunt zijn: Betrokkenheid tonen, Betekenisvol zijn, Bedoelingen duidelijk maken en de rol van de leerkracht is Bemiddelend. We hebben voor  groep 1- 2 uitgangspunten m.b.t. thematisch werken vastgesteld en  de doelen die men nastreeft zijn vastgelegd:

Het werken met thema’s biedt mogelijkheden om vanuit de belangstelling van de jonge     kinderen actuele gebeurtenissen, leefsituaties en zaken uit de omgeving van de kinderen aan de orde te stellen. Daarbij is het de bedoeling tot meer diepgang en samenhang te komen, zodat de kinderen meer inzicht krijgen in de wereld om hen heen.

  We willen op een ontwikkelingsgerichte wijze werken met thema’s. Dat wil zeggen dat men in het onderwijsaanbod gevarieerde activiteiten opneemt, die zo “echt” mogelijk zijn. De activiteiten moeten voor de kinderen betekenisvol en interessant zijn; alleen dan is er sprake van ontwikkeling.

De activiteiten moeten kinderen uitlokken tot samenwerken, communiceren en overleggen. Ze moeten de gelegenheid bieden tot actief handelen; zowel mentaal als lichamelijk.

De leerkracht speelt een belangrijke rol in het werken met thema’s

- in voorwaardelijke zin: zorg van materialen, inrichting

- in begeleidende zin: door voorstellen te doen, gesprekjes te voeren, problemen voor te leggen en mee te spelen en te werken activeert zij de kinderen.

-in sturende zin: door kinderen uit te nodigen voor een activiteit, door sturing vanuit materiaal en meewerken.

De leerkrachten hebben afspraken gemaakt over het aantal thema’s per jaar, de inhouden en de wijze waarop de inhoud en het activiteitenaanbod per thema wordt vastgesteld.

Verder spelen de jongste kinderen veel, zowel binnen als buiten. Zij leren wat het is om een gehele dag in een groep te zitten, wat de school allemaal van hen vraagt. Er wordt hen ook allerlei ontwikkelingsmateriaal aangereikt om spelend te leren. Zeker in het begin mogen de jongste kleuters zelf hun werk kiezen. Dat gebeurt dan ongeveer 45 minuten. Er wordt rekening gehouden met verschillen tussen leerlingen. Er is veel aandacht voor taalactiviteiten, kringgesprekken, beginnende geletterdheid en beginnende gecijferdheid, sociale redzaamheid en samen eten. Ook vindt u muzikale vorming, spel en lichamelijke oefening zowel buiten als in de speelzaal, expressie, catechese, wereldoriëntatie en verkeersonderwijs in deze groepen.

B. De groepen 3 t/m 8

Vanaf groep 3 is ons onderwijs gebaseerd op het leerstofjaarklassensysteem. De leerstof wordt per leerjaar aangeboden, waarbij we zoveel mogelijk tegemoet komen aan nivueauverschillen tussen kinderen.

In groep 3 en 4 komt het leerstofaanbod al veel meer in klassikale vorm voor. Instructie aan kleine en grotere groepen, daarna verwerking en speelmomenten. Ook komt er meer aandacht voor de natuur en verkeersgedrag alsmede de in de ogen van kinderen echte gymnastieklessen. Er wordt verder rekening gehouden met verschillen tussen leerlingen, er worden aangepaste programma’s aangeboden, er wordt verder gedifferentieerd. Wereldoriëntatie komt verder in beeld.

Vanaf groep 5 en 6 zijn bijna alle schoolvakken te herkennen. De spreekbeurt doet zijn intrede. De kinderen leren al omgaan met het maken van werkstukken en vergroten van hun vaardigheid bij spreekbeurten.

In groep 7 komt er het vak Engels bij (spreekvaardigheid) en indien mogelijk in groep 8 jeugd EHBO met afrondend diploma. Ook gaat huiswerk een rol spelen in deze groepen. Een aantal kinderen van groep 8 wordt eventueel ingeschakeld bij het tutorlezen voor jongere kinderen.

In de wet op het primair onderwijs staat beschreven welke vakken de kinderen moeten leren. Bij elk vak zijn daar de kerndoelen aangegeven. Onze methodes zijn op de kerndoelen afgestemd. De zgn. verplichte leerstof wordt ieder jaar bij de kinderen doorgewerkt. Wat die leerstof inhoudt, verneemt u op onze jaarlijkse info-avonden aan het begin van een schooljaar. Aan het einde van de basisschool hebben nagenoeg alle leerlingen de verplichte leerstof doorgewerkt. Sommige kinderen lukt dat niet, u heeft hier meer over kunnen lezen in hoofdstuk 2, onder het kopje “individuele aandacht”.

Het leren vindt meestal plaats op school want thuis moet er sprake zijn van spelen. Toch is het van belang dat er thuis soms tijd vrijgemaakt wordt om wat extra’s te leren. Zo wordt er huiswerk gegeven in de groepen 7 en 8, vaak aangepast aan de verschillen tussen de leerlingen. U kunt in overleg met de leerkracht extra werk vragen om uw kind wat meer in de gelegenheid te stellen te oefenen met bepaalde leerstof.

C. Coöperatief leren

Bij coöperatief leren wil je leerlingen laten leren door hen te laten samenwerken. Dat is op zich niets nieuws. Leerkrachten zijn er al lang van overtuigd dat samenwerken belangrijk is. Maar er is niet altijd aandacht voor de manier waarop dat samenwerken in z’n werk gaat.

Als kinderen moeten samenwerken staat er in de methodes vaak het volgende beschreven of geven de leerkrachten de volgende opdrachten:

bespreek dit met je groepje, bedenk in je groepje een oplossing, maak deze opdracht samen met je buurman of buurvrouw.

Wat zie je dan gebeuren? Kinderen gaan vaak ongestructureerd aan de gang. Je ziet meelifters, praters, zwijgers, snelle denkers en kinderen die het voortouw nemen, meepraters (‘Dat vind ik ook!), etc. Groepswerk leidt tot een gezamenlijk product waarbij niet duidelijk is wat precies de bijdrage van ieder individu is geweest.

Bij coöperatief leren wordt de samenwerking zo gestructureerd dat niemand er een beetje bij kan hangen en niemand de interactie kan overheersen: de leerkracht regelt hóe de kinderen overleggen in plaats van dát ze overleggen. Er wordt gewerkt met uitgekiende samenwerkingsvormen: didactische structuren. Deze kunnen gewoon gebruikt worden in de bestaande methodes, bij de aangeboden leerstof. Tevens is er aparte aandacht voor het creëren van zo goed mogelijke onderlinge verhoudingen tussen de leerlingen (sociale vaardigheden).

Coöperatief leren is geen nieuwe methode en je gebruikt het naast je andere vormen van lesgeven: klassikaal, individueel werk en groepswerk.

Bij coöperatief leren worden tegelijkertijd drie doelen bereikt:

  1. De leerlingen worden uitgerust voor een samenleving waarin ze veel zelfstandig in teamverband moeten werken en leven.
  2. De leerlingen leren meer geconcentreerd en bewuster doordat ze in interactie met elkaar zijn. Dankzij de activering van alle leerlingen levert dit hogere leerprestaties op.
  3. Dankzij het werken in teams (tafelgroepen van vier leerlingen) is er sprake van toename van veiligheid in de groep. Leerlingen die zich  veilig voelen kunnen beter leren.

Coöperatief leren bewerkstelligt

-een actieve en betrokken leerhouding van kinderen

-een grote leeropbrengst door kinderen op een bepaalde manier te laten samenwerken

-een arsenaal aan sociale vaardigheden

-een veilige sfeer in de klas, een goed klassenklimaat

-plezier in leren bij kinderen, motivatie tot leren

-een handige vorm van klassenmanagement voor de leerkracht.

Dit kan door het gebruik van structuren die aan vier criteria voldoen (GIPS)

  1. Gelijke deelname: bij coöperatief leren is overleg altijd geregeld in een structuur. Hoe kinderen overleggen wordt niet aan de groep overgelaten. Ze krijgen geen gelegenheid om achterover te leunen of af te haken. Iedereen neemt deel aan het overleg.
  2. Individuele aansprakelijkheid: elk kind in het groepje is verantwoordelijk voor zijn/ haar eigen bijdrage aan het groepswerk. Dit houdt in dat de leerkracht een willekeurig kind om antwoord kan vragen: ieder kind kan antwoorden. Bij coöperatief leren is altijd zichtbaar wat elk groepslid heeft bijgedragen.
  3. Positieve wederzijdse afhankelijkheid: om een opdracht uit te kunnen voeren, moet elk groepslid afzonderlijk een bijdrage leveren. Als een groepslid de opdracht niet uit kan voeren, zullen de anderen hem moeten coachen om het te leren.
  4. Simultane interactie: gelijktijdige interactie van leerlingen. De structuren die bij coöperatief leren gebruikt worden zorgen ervoor dat leerlingen gelijktijdig over de leerstof  spreken. Het stimuleert de betrokkenheid in grote mate als kinderen actief over leerstof praten.

D. Zelfstandig werken

Een belangrijke werkwijze op onze school is het zelfstandig werken. Dit is een manier van werken die in de hele school is doorgevoerd. Deze manier van werken heeft een vast patroon en heeft eigen regels. De periode van het begin van het schooljaar tot aan de herfstvakantie wordt gebruikt om deze regels en de manier van werken weer op te starten en uit te breiden zodat ieder kind weer weet hoe er tijdens het zelfstandig werken gewerkt wordt.

Al in groep 1 en 2 leren we de kinderen om zelfstandig te werken en dit breiden we naar de hogere groepen uit. In ieder leerjaar wordt het een stapje moeilijker zodat de kinderen uiteindelijk in groep 8 een weekplanning kunnen maken van de dan te maken stof. De doorgaande lijn die in de school te vinden is, is vastgelegd in het document ‘Structuur zelfstandig werken’. Wilt u deze graag eens inzien dan kunt u contact opnemen met de directie of Paula Brekelmans. Tijdens de informatieavonden aan het begin van het schooljaar wordt er door de groepsleerkracht verwoord hoe er in dat betreffende leerjaar aan zelfstandig werken gedaan wordt.

Op deze manier krijgen alle kinderen de basisstof en heeft de leerkracht tijd om extra aandacht en uitleg te geven aan de kinderen die dat nodig hebben. Wie moeite heeft met een bepaald onderdeel krijgt op deze manier extra hulp en oefenstof en wie meer aan kan krijgt de gelegenheid om zich te verdiepen in de verrijkingsstof.

E. Gedifferentieerde instructie

Klassikale instructie gaat steeds meer tot het verleden behoren. Niet alle kinderen leren immers op dezelfde manier en in hetzelfde tempo. Omdat we willen dat elk kind zijn mogelijkheden zo optimaal mogelijk benut, komen we tegemoet aan deze verschillen.  Dat gebeurt o.a. door het geven van gedifferetieerde instructie. Op de Blokkendoos gebruiken we daarvoor het model van Convergente differentiatie. Dat houdt in dat er voor de hele groep een  basisaanbod van de stof is. Daarnaast is er ook een aanbod voor subgroepjes. Dit aanbod is afhankelijk van de onderwijsbehoeftes van de kinderen op dat moment en kan bestaan uit:

  • Verlengde instructie
  • Extra leertijd
  • Extra leerstof
  • Uitdagende leerstof ( meerbegaafden )

In de praktijk kan een rekenles er als volgt uitzien. De leerkracht start met de groepsinstructie. Hieraan nemen alle kinderen deel. Vervolgens starten de kinderen die de stof begrijpen met de verwerking van de rekentaak.  De leerkracht geeft dan aan de over gebleven groep een verlengde instructie. De stof die uitgelegd is wordt samen ingeoefend. Na deze verlengde instructie zijn er weer kinderen die zelfstandig de taak kunnen gaan verwerken. Met de kinderen die overblijven gaat de leerkracht aan de instructietafel aan het werk. Er wordt dan een intensieve instructie of een individuele instructie gegeven.

In principe wordt er met maximaal 2 subgroepen gewerkt.

Voor het werken met subgroepen wordt er per vakgebied en per groep een groepsplan opgesteld voor en bepaalde periode. In het groepsplan worden de volgende zaken vastgelegd:

  • De doelen/ gewenste situatie
  • De inhoud; wat wordt er behandeld
  • De aanpak; hoe wordt het aangeboden
  • De organisatie; wat is daarbij nodig
  • De evaluatie; hoe is er de afgelopen periode gewerkt, zijn de gestelde doelen behaald, welke bijstellingen voor de komende periode zijn nodig

Naast extra instructie kan een kind ook behoefte hebben aan extra leertijd of extra leerstof, of juist minder ( basis)leerstof maar meer uitdagende leerstof. Kinderen die aan dit laatste behoefte hebben nemen deel aan het compacten. Bij compacten beperken we de lesstof voor de kinderen die gezien hun vaardigheid met minder toekunnen of die (delen van de) stof al beheersen. Doordat ze minder maken houden ze tijd over. Die vrijgekomen tijd wordt besteed aan verrijkende opdrachten, die passen bij het niveau en de leerbehoeften van het kind. De vrijgekomen tijd kan ook gebruikt worden voor andere vakgebieden waar ze minder goed in zijn of voor nieuwe, nog onbekende gebieden.

F. Verkeersonderwijs

Tenslotte is er specifiek aandacht voor het verkeersonderwijs op onze school. Onze school neemt deel aan het project “Brabants Verkeersveiligheidslabel”(BVL). Meer dan 600 andere basisscholen in onze provincie doen dat ook. Dat houdt in dat we verkeersonderwijs serieus nemen. In de praktijk betekent dat:

  • Dat we werken met een jaarlijks activiteitenplan;
  • Dat alle kinderen les krijgen uit moderne materialen; o.a. uit de methode Wijzer op Weg;
  • Dat we vooral aandacht besteden aan praktisch verkeersonderwijs, dat aansluit bij de leeftijd van de kinderen en hun rol in het verkeer; (aandacht voor veilige school-thuisroute, skateles, Streetwise, trapvaardig);
  • Dat we vooral gericht zijn op wat onze schoolomgeving en de schoolthuisroute van kinderen aan veilig verkeersgedrag vraagt;
  • Dat we ouders bij ons verkeersonderwijs betrekken en met hen samenwerken; daarom heeft onze school ook 2 verkeersouders; samen met Ingrid Stokkermans vormen zij de verkeerswerkgroep van school.

Onze school werkt op haar beurt weer samen met de gemeente, de politie, de plaatselijke afdeling van Veilig Verkeer Nederland en alle andere basisscholen in de gemeente Loon op Zand. Op 18 december 2001 zijn we gecertificeerd.